Journaliste Corine de Vries 3 juni 2006 Volkskrant
Olieveld aan de Kaspische Zee
Tussen jaknikkers en een onversneden persoonscultus rondom een overleden president kom je terecht in Bakoe, exotische stad vol ceders en palmen in Azerbeidzjan. Heydar Alijev is dood: leve Heydar Alijev! De vader van de president van Azerbeidzjan is eind 2003 gestorven, maar in de hoofdstad Bakoe is hij alom aanwezig. Op grote billboards langs de brede Heydar Alijev-straat (voorheen de Moskou-straat) poseert de voormalige president met een minzame glimlach, een hand onder zijn kin. Ook is hij op talloze posters te zien in gesprek met zijn zoon en opvolger, die aandachtig naar hem luistert.
Alleen daarom is de oliestad Bakoe al een bezoek waard. Persoonsverheerlijking op deze schaal kom je niet vaak meer tegen. Op een grijze muur in het centrum van de stad staat in enorme rode letters: ‘Heydar Alijev is het volk, het volk is Heydar Alijev.’ Er is een Heydar Alijev-bibiotheek, een Heidar Alijev-theater, een Heidar Alijev-station, een Heidar Alijev-olieraffinaderij.
‘Het is erger dan vroeger met Lenin’, zegt marktvrouw Samaja, die vanachter haar groente uitzicht heeft op zo’n leuze van de ex-president. Gelukkig heeft Bakoe, ‘de Stad van de Winden’, meer te bieden. Toch zijn toeristen hier nog zeldzaam. Ten onrechte, want Bakoe is een exotische stad vol palmen en ceders, gelegen in de woestijn aan de azuurblauwe Kaspische zee. Je kunt er slenteren door de ommuurde 15de-eeuwse Oude Stad, langs opdringerige tapijtenhandelaars en groepjes mannen die in de parken zitten te dammen. De sfeer is gemoedelijk, niemand heeft haast.
Ook met hun geloof gaan de Azeri op ontspannen wijze om. Bakoe mag islamitisch zijn, de meisjes flaneren hier zonder hoofddoek over de kade. ‘De koran verbiedt ons wijn, dus drinken we wodka’, geldt als een gevleugelde uitspraak.
Dankzij de investeringen van westerse oliemaatschappijen is Bakoe de welvarendste stad van de Kaukasus. De oorzaak voor de welvaart in Bakoe kun je ruiken: de vettige, licht weeë geur van olie is duidelijk herkenbaar.
Tussen 1870 en 1915 kende Bakoe al een olie-boom. Stille getuigen uit die tijd zijn de villa’s en paleizen van de toenmalige oliebaronnen rond de Oude Stad. Het zijn fraaie staaltjes van neogotiek en art nouveau. Immens is het Hacinski-huis, dat is versierd met beestenkoppen, waterspuwers, wijnranken en elegante balkons.
Volgens bontmutsenmaker Dzjafar Natzjafov waren de oude oliebaronnen barmhartiger dan hun hedendaagse opvolgers. ‘De miljonairs van tegenwoordig doen niets voor het volk’, moppert hij. In zijn ouderwets ambachtelijke winkeltje aan de Hacijev-straat werkt hij zorgvuldig aan een hoge muts van Astrachan-bont, die is besteld door een generaal.
Natzjafov wijst achter hem naar het vergeelde portret aan de muur van een man met lange zwarte baard. Het is Zeinalabdin Tagijev, de oliemagnaat die het voor het zeggen had in Bakoe, tot in 1922 de sovjets de macht overnamen. ‘Tagijev liet ziekenhuizen bouwen, legde drinkwaterleidingen aan.’ Tussen de mutsen geen portret van Alijev, maar Natzjafov is niet ontevreden over de huidige leider. ‘Ons leven is de laatste jaren duidelijk vooruit gegaan.’
Minder aantrekkelijk bijverschijnsel van de recente welvaart is de aanwakkerende bouwlust in de stad. Rijke Azeri en expats vervuilen het aanzien in rap tempo met hun moderne appartementencomplexen en pastelkleurige villa’s.
Wat Bakoe vooral fascinerend maakt, zijn de olievelden rondom. Wie jaknikkers wil zien, hoeft de stad niet eens uit. Vraag een taxichauffeur om naar de nieuwe moskee ten zuiden van het centrum te rijden. Vlak daarvoor bevindt zich langs de kust een enorm gebied waar al zeker een eeuw olie wordt gewonnen. En dat is te zien.
Over hobbelige zandweggetje rijden we tussen een wirwar van pijpleidingen dwars door een immens veld vol roestige jaknikkers. De meeste werken nog en knikken al zolang ja, dat ze in grote plassen stookolie staan. Olie spuit als een fontein uit een lekke pijpleiding; niemand kijkt ernaar om.
Waar de weg is ingestort, lopen we voorzichtig verder over een gammele houten plank, onder de voeten een bruin stroompje vol olie en roestend afval. Onze chauffeur Namik weet de weg, hij werkte hier eind jaren negentig op een tractor. ‘Rotwerk’, zegt hij, waarmee hij maar 150 dollar per maand verdiende. Namik zou graag voor een westerse oliemaatschappij werken. ‘Maar die kans krijg je niet zonder geld of connecties.’
De wandeling naar de kust is de moeite waard. In de felblauwe zee staan de ranke skeletten van tientallen kleine boortorens, de meeste allang niet meer in gebruik.
Bij de vuurberg Yanar Dag –zeven kilometer ten noorden van de stad– openbaart zich de grondstoffenoverdaad op een heel andere manier. Over een lengte van twintig meter brandt de aarde: het is gas dat uit de heuvel ontsnapt. Vroeger waren er in Azerbeidzjan veel van deze natuurlijke gasvlammen, maar door de oliewinning is de ondergrondse druk steeds minder geworden.
De bewoners van het huis vlakbij bieden ons een kop thee aan en vullen de tafel met zoetigheid. Het uitzicht spreekt tot de verbeelding. Aan de ene kant de woest brandende berg, aan de andere kant alweer een billboard met daarop de heiligverklaarde Heydar Aliev.
Bakoe, Azerbeidzjan
1,9 miljoen inwoners (2003)
Munteenheid: 1 manat (85 eurocent)
