Lena Sangin
Uit:Ex Ponto Magazine (www.exponto.nl).
Toen zij nog in Azerbeidzjan woonde, dacht Lena Sangin over mensen in Europa. Mensen die door het leven gingen zonder dat ze van haar bestaan wisten. Nu als zij bij een gracht in Amsterdam staat of door het Wassenaarse bos wandelt, denk zij aan de menigte die zij in Baku achter heeft gelaten.
Groet en afscheid
Heb je er ooit op gelet hoe mensenmassa’s zich op straat bewegen? Mensen lopen heen en weer, links en rechts, voor- en achteruit. Iedereen heeft haast, iedereen schiet ergens naar toe. Ze kijken nauwelijks naar elkaar. Op een snijpunt passeren ze elkaar en trekken verder, zonder na te denken over de vreemden die ze zojuist voorbijliepen. Elke dag ontmoeten miljoenen mensen elkaar in de wereld zonder bij elkaar stil te staan. Ze komen zonder groet en gaan zonder afscheid. Zonder zich te bemoeien met wie die ander is, waar hij vandaan komt, waar hij heengaat, wat hij gaat doen en wat er over vijf minuten, vijf uur, vijf dagen met hem gebeurt. Kom ik nog een keer met zo iemand in contact? Is dit de eerste en laatste keer?
Jaren geleden, toen ik in de volle straten van Baku liep, kwam deze gedachte vaak in mijn hoofd op. Ik dacht na over andere landen, over Europa, over de bewoners van de landen daar. Het was altijd een raar gevoel dat in een ander land het leven zomaar doorgaat. Men leeft zonder te weten dat ik besta, dat ik over hen nadenk, dat ik hen wil zien. Het leek onmogelijk dat ik deze wereld ooit zou verlaten zonder met die anderen kennis te maken.
Nu, jaren later, sta ik aan een gracht in Amsterdam. Naast mij lopen de mensen over wie mijn gedachten mij ooit bezig hielden. Dit zijn zij, vreemden, anderen, wiens wereld ik ooit wilde ontdekken. Nu sta ik naast ze, maar gaan ze door met hun alledaagse leven zonder hun zoekende blikken op mij te laten rusten. Ik sta hier en denk over de menigten die ik in Baku achterliet. Een late ontdekking doet zeurend pijn in mijn hart: ik heb daar immers ook van niemand afscheid genomen. Hoe is het daar met iedereen? Met kennissen en met onbekenden? Zijn de straten en huizen nog hetzelfde in Baku en lopen daar nog dezelfde mensen? Komt nog steeds elke ochtend Qarib, de melkverkoper, naar onze straat? Gaat buurvrouw Emine nog steeds naar dezelfde goedkope markt voor haar boodschappen? Zit lieve tante Gulus nog steeds op haar terrasje ‘een zeer interessant boek’ te lezen? Plukken de buurjongetjes nog steeds stiekem kersen uit de buurtuin? Zit oude Hassan steeds nog op de bank bij zijn deur om naar voorbijgaande vrouwen te staren? Hoe is het met mijn geliefde wilgenboom? Buigen zijn groene franjes nog steeds tot de grond als een verlegen meisje?
En wie herinnert zich mij nog? Wie zou mij daar nogmaals willen begroeten? Wie zou tijdens zijn laatste adem van mij afscheid willen nemen? Voelen ze dat ergens iemand aan een gracht staat, kijkt naar de norse stille wateren en aan hen denkt? Dagelijks worden daar in Azerbeidzjan duizenden geboren en duizenden gaan dood, zonder te weten van mijn bestaan. Alsof ik een vergeten geschiedenis ben, die tussen duizenden era’s is kwijtgeraakt. Maar zelfs een ogenblik in de geschiedenis blijft bestaan, vanzelf, ondanks de vergeetachtigheid van het menselijke geheugen.
Waar begint Azerbeidzjan
Waar begint Azerbeidzjan voor mij? Soms denk ik dat het begint op het moment dat het in mijn herinnering stil is blijven staan. In de vorm en tijd dat ik het achtergelaten heb. Alsof alle veranderingen die in de wereld gebeuren het helemaal niet raken, zoals een verloren kind zich zijn moeder herinnert zoals hij haar de laatste dag zag. Het is moeilijk om te wonen in Nederland en je Azerbeidzjan voor te stellen. Daar gebeuren immers ook heel veel dingen die je niet weet. En als ik over mijn herkomstland vertel, twijfel ik of alles daar nog is zoals ik het beschrijf.
Als je een emigrant bent bestaat je vaderland enkel en alleen in de culturele tradities, die je zorgzaam meedraagt en aan je kinderen probeert door te geven. Je cultuur is alleen zichtbaar in jou, als drager van die cultuur. Dus mijn Azerbeidzjan begint bij mezelf. Bij het wiegeliedje dat mijn moeder zong en dat ik me herinner, van het geluid van de mugam, de Azerbeidjaanse traditionele muziek, die in mijn oren klinkt van de sneeuwwitte toppen van de Kaukasus die ik voor me zie. Misschien begint het bij de volkssprookjes die mijn oma me vertelde of bij de ouverture Koroglu van de componist Uzeir. Of bij de deftige hoge dubbelplatanen, die langs lanen stonden... Niemand heeft ooit exact weten te bepalen waar heimwee begint.
Nederland lijkt absoluut niet op Azerbeidzjan. De twee landen verschillen in alles van elkaar: geografisch, klimatologisch en sociaal-cultureel. Niettemin herinnert hier iedere kleinigheid mij aan mijn land van het verleden. Als ik ’s zomers en ’s winters door de lege straten van Rijswijk loop, denk ik aan de drukke straten van Baku, vol lawaai en gedoe.
Als ik de heuvels van Limburg beklim, denk ik aan ons Karabach en de stad-schoonheid Susa, waar ik ook ooit op heuvels klom. Karabach – het lustobject van ons buurland – en de schoonheid Susa werden door bezetters geschonden en platgetrapt. Als ik in Scheveningen naar de Noordzee kijk, dan zie ik voor mijn ogen de boulevard van Baku en de blauwogige Kaspische Zee, die nu ook een lustobject is geworden, van weer een ander buurland.
Onteerd
Vaak ga ik naar het Wassenaarse bos om te wandelen tussen de bomen. Bijzondere bomen, omhelsd door liefdevolle klimop, vormen een natuurlijke paraplu boven mijn hoofd. Er liggen heel veel droge takken op de grond, die met een knerpend geluid breken onder mijn voeten. Het hout, de kostbare brandstof, wentelt zomaar en gaat rotten. Een andere scène vervangt dit beeld. Van Nachtsjevan in Azerbeidzjan, 1992, begrensd door hoge bergen, Armenië en Iran. Aan Armeense kant voortdurende schietpartijen, aan Iraanse kant dichte grenzen en grenswachten, en verder omgordt door oneindige bergen. Gaspijpen zijn kapot, elektriciteit is er niet meer.
Als journalist word ik naar Ordubad gestuurd, een stad in Nachtsjevan, wereldberoemd om zijn fruitbomen, zijn conservenfabriek en de fabricage van natuurlijke zijde. Unieke soorten abrikozen en perziken werden hier verwerkt en naar verschillende landen geëxporteerd. Met cameraman en al vliegen we uit Baku naar Nachtsjevan. Als het vliegtuig boven Armenië vliegt, valt er een onheilspellende stilte onder de passagiers. Alleen het gesnor van de motor is te horen. Dit zijn geen grappen – er kan van alles gebeuren.
Tijdens nog zo’n stilte rijden we nadat we geland zijn tussen geheimzinnige bergen door naar Ordubad. De taxichauffeur houdt op met kletsen. Geconcentreerd houden we de bergspleten in de gaten – verbergt zich daar iemand met een wapen? Nee? Gelukkig. De angst is voorbij. We naderen Ordubad. Straks zullen we de fruitboomplantages zien – het paradijs op aarde.
Maar of wij ons in de route hebben vergist of dat er iets anders aan de hand is, er is geen schim van een boom te bekennen. We knijpen onze ogen tot spleetjes en staren in de verte over het vlakke terrein. De vurige stralen van de ondergaande zon geven nauwelijks licht genoeg om iets te onderscheiden. Een ding is duidelijk: links, rechts, achter, voor – nergens staan bomen. Iets anders trekt onze aandacht, iets raars. De grond is bezaaid met staken, zwarte staken, op gelijkmatige afstand van elkaar. Vanuit de verte lijkt wel het zwarte schapen die zich naar het gras buigen. Honderden, duizenden schapen. Maar waarom bewegen ze niet? Bovendien is het veel te laat om te grazen. De kuddes zouden allang weer in de dorpen terug moeten zijn.
We vragen de chauffeur naar de vreemde schaduwen toe te rijden. Na een paar kilometer stappen wij uit, lopen naar de rand van de weg en bekijken de bizarre, bizarre vlekken. O god! O God! Dat zijn…stronken. Eenvoudige korte stronken, de resten van de fruitbomen. Honderden, duizenden onthoofde abrikozen -, perziken -, appel- en kersenbomen.
Wij staan als versteend en voelen ons als een maagd onteerd. Pas later, in de stad, horen we over de harde, koude winter. Zonder elektriciteit en gas moesten de achtergebleven bewoners alle bomen uit de gaarden omzagen voor brandstof.
De rode anjer
Ik weet niet waarom, maar als ik op de Afsluitdijk of in de Keukenhof ben, voel ik een enorm gevoel van trots. Trots op de Hollanders, die hun land met hun eigen handen hebben geschapen. Ze durfden de oceaan te temmen, van zout zeewater zoete meren te maken en moerassen in te polderen. De Keukenhof lijkt net een bloemenzee. Het is niet te geloven dat grote mannen met grove handen die zachte, fijne, unieke tulpen en rozen hebben gekweekt. In mei komen duizenden bezoekers uit de hele wereld om ze te bekijken, die bijzondere creaties door mensenhanden gemaakt. Overal zijn bloementapijten in prachtige kleuren. De bloemen worden hier in mei verlevendigd, verpersoonlijkt. Ze halen adem, spreken, domineren. Net als de anjers in Baku op 20 januari.
Januari 1990 staat voor eeuwig in het Azerbeidjaanse geheugen gegrift. Baku leek toen op een razende zee. Straten, pleinen, daken, muren waren vol mensen die het einde van het communistische regime eisten. Men wilde vrijheid en onafhankelijkheid. Op 19 januari 1990 stonden vele tienduizenden mensen voor het gebouw van de Communistische Partij van Azerbeidzjan en schreeuwden om het ontslag van de regering. Niemand wilde naar huis. De onafhankelijkheid smaakte te zoet om die te weigeren.
De partijleiders in het gebouw lieten geen minuut voorbijgaan en waarschuwden hun bazen in het Kremlin. Gorbachov was niet gecharmeerd van de protestacties. In de nacht van 19 op 20 januari 1990 viel het Rode Leger op bevel van het Kremlin Baku binnen. De zware artillerie naderde van alle kanten en schoot op de ongewapende menigte. Huizen, ramen, daken, muren, bomen, bussen, ambulances – alles werd getroffen door de kogelregen. Tanks reden over mensen heen. Zelfs schoolkinderen werden gedood. Het televisie- en radiogebouw werd opgeblazen, de stad werd van de buitenwereld afgesloten en ook de telefoonlijnen waren verbroken. Azerbeidzjan had geen ogen, geen oren en geen handen meer.
De stad was rood van het bloed. Operatie- en reanimatieruimten van ziekenhuizen werden beschoten. Artsen opereerden de gewonden bij kaarslicht. Die nacht werden in dit met bloed besmeurde land honderden helden geboren. Niemand haastte zich naar huis om dekking te zoeken. Iedereen hielp elkaar de doden en gewonden van de straat te halen.
Op de ochtend van 20 januari, toen de aanvallers in auto’s door de straten reden op bevel van een nieuwbakken militaire commandant, waren ze in verwarring. In plaats van lijken lagen overal anjers, bloedrode anjers. Verse bloemen lagen op stenen, hingen aan de takken van de bomen, lagen op muren, op de grond, op gebroken ramen en uitgebrande auto’s. Alsof de stad zijn wonden waste in een gigantisch bad van anjers. Niemand begreep waar al die bloemen vandaan kwamen.
Het Rode Leger bestaat niet meer en Azerbeidzjan is allang een onafhankelijke republiek. Maar ieder jaar, op de nacht van 19 op 20 januari, groeit op alle pleinen, straten, muren, aan alle bomen van Baku de Rode Anjer, als een wonder. Sneeuw, regen, storm – niets kan deze groei verhinderen. De Rode Anjer komt en gaat weer op zijn tijd.
Charles
Mijn eerste kennismaking met Nederland, of met Hollandiya, zoals men in Azerbeidzjan zegt, begon met Charles. Hij was een Nederlander, maar woonde in Baku. Het was in de tachtiger jaren, toen ik nog een jong meisje was. In die tijd was Baku nog een vrolijke, vreedzame multiculturele hoofdstad. Velen droomden ervan om in Baku te wonen, werken of een opleiding te volgen. Wij gingen bijna iedere zaterdag naar het Dramtheater of Theater van Opera en Ballet. De universiteit gaf aan iedere student een abonnement voor allerlei theaters en concerten.
Met Charles maakte ik kennis tijdens het ballet Duizend en één nacht van de Azerbeidjaanse componist Kara Karajev. Charles was eind twintig, blond en had altijd pukkeltjes op zijn gezicht. Hij was samen met een knappe, gespierde Azerbeidjaanse jongen. Ik was met mijn vriendinnen. Charles zat voor ons en had een programma in zijn handen, maar het was duidelijk dat hij geen woord in het Azerbeidjaans begreep. Opeens keek hij om en vroeg in het Frans of wij hem konden helpen. Mijn vriendin sprak beter Frans dan ik, dus zij begon hem de inhoud van het libretto uit te leggen. In de pauze dronken we samen cola en praatten verder.
Het bleek dat Charles dol was op onze opera en ons ballet en dat hij het theater ieder weekend bezocht. We vonden het leuk om dat te horen en maakten de afspraak om altijd samen naar de schouwburg te gaan. Het ballet Legenda van het oosten keken we samen, Jizelle, het Zwanenmeer, Spartakus en zelfs de opera’s Sevil en Carmen. Charles kwam altijd met zijn vrienden, allemaal knappe jongens met donkere ogen, maar zij waren nooit echt in ons geïnteresseerd. Na een paar weken begrepen we dat Charles een ‘blauwe’ was, een homo in ons jargonnetje, dat hij uitstekend piano speelde en altijd in Baku wilde blijven. We waren echt goed bevriend. Charles was heel intelligent en met hem was het nooit saai. Hij speelde Chopin voor ons, en Tsjaikovski. Hij speelde perfect de piano-jazz van Wagif Mustafazade en de liedjes van Tofik Kuliyev. Het was voor ons niet te geloven dat een Europeaan de Azerbeidjaanse muziek zo diep kon voelen.
Charles stond voor mij symbool voor alle Nederlanders. Ik stelde me voor dat ze allemaal zo talentvol waren, dat ze Mozart of Rachmaninov speelden op de piano en dat ze dol waren op opera. Charles had veel boeken in huis, las veel en omdat zijn favoriete schrijver net als de mijne Dickens was, had ik de Nederlanders hoog zitten. Wij wisten zo weinig over ‘Hollandiya’. Het bestond voor ons uit Rembrand, Van Gogh, Ajax, Philips, Hollandse tulpen en Hollandse kaas. Vertaalde Nederlandse literatuur was er bijna niet. Charles vervolmaakte het beeld van de Hollander voor ons.
Ik ben al zeven jaar in Nederland. In die zeven jaar ben ik nauwelijks zeven keer naar opera of ballet geweest. Het is allemaal heel anders dan ik me had voorgesteld. De theaters, de bezoekers, de straten, de huizen, alles is anders. Theaters zijn duur, de bezoekers stellen je geen vragen, de straten zijn leeg en in de huizen geeft niemand een concert. En ik mis hier mijn Nederlandse vriend uit Azerbeidzjan. Charles, lieve vriend, waar ben je? Zal ik je ooit terugzien?
Waar zijn ze, de Nederlanders?
Nederland is de helft kleiner dan noord-Azerbeidzjan. Maar de bevolking van Nederland is twee keer groter. Ik zie ze weinig, de bewoners van dit dichtbevolkte land. Waar zijn ze? Ik zou ze heel graag beter willen leren kennen. Het moet. Ik ben nu eenmaal hier om bij jullie te zijn. Als we elkaar vandaag niet groeten, dan is het morgen misschien te laat om afscheid te nemen.
